Zondag
11 juli 2004, G.J. Westerveld, Antoniuskerk
De vraag uit de
mond van de wetgeleerde lijkt de vraag naar de bekende weg….. Wat moet ik doen
om deel te krijgen aan het eeuwige leven ….. hoe word ik hier in dit bestaan
een gelukkig mens . Hoe vind ik het leven zoals het de Schepper geeft….. Het
eeuwige leven is voor Jezus en zijn joodse mederabbijnen op aarde in dit bestaan
te bereiken ….. Lucas vertelt dat de vraag wordt gesteld om Jezus te testen:
hoort hij wel bij ons? Is hij zuiver in de leer? Mag je Hem zijn gang laten
gaan als leraar van het volk? En Jezus speelt als een goede rabbijn de vraag
terug: wat staat er in de wet geschreven?… Met andere woorden: weet jij waar
het antwoord is te vinden; wat heb je geleerd? Wat heeft het volk van God geleerd?
Het antwoord zijn de regels die een vrome jood elke dag in de gebeden zegt:
U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart met heel uw ziel, met heel
uw kracht en met heel uw verstand en uw naaste als uzelf….. Jezus gaat met dat
antwoord helemaal akkoord: Doe dat en je zult leven….. Dan komt er een nieuwe
vraag, weer een test: ja, over God zijn we het eens; maar wie is dan mijn naaste….
Is dat mijn naaste familie, mijn naaste buurman mijn beste vriend mijn landgenoot….?
Als echte joodse rabbijn geeft Jezus antwoord met een verhaaltje uit het dagelijks
leven…. Iemand reist van Jeruzalem naar Jericho. Jeruzalem is de stad van het
heiligdom van God en Jericho is in de dagen van Jezus een drukke handelsstad
waar de grote karavaanroutes van het Midden-oosten elkaar kruisen. Op de provinciale
weg die door het bergland gaat waar zich allerlei onguur volk schuilhoudt wordt
een eenzame reiziger overvallen en zo toegetakeld dat hij halfdood langs de
weg blijft liggen . De ongelukkige man ziet een priester uit de richting van
Jeruzalem komen maar die passeert aan de andere kant van de weg en doet alsof
hij hem niet hoort en ziet De tweede man die voorbijgaat komt ook uit de richting
van Jeruzalem Hij is duidelijk ook een tempeldienaar, een leviet, die ook zomaar
voorbij kan gaan . Aan de mensen van het geloof en de godsdienst heeft hij niks:
de mensen van hoog tot laag van de bisschop tot de vrijwilliger in de parochie
hebben duizend en een dingen te doen die voor hen belangrijker zijn dan die
ene ongelukkige man in de berm…. En als hij weer geluid hoort probeert hij zijn
pijnlijke hoofd wat op te tillen, maar als hij ziet dat het een Samaritaan…
weet hij genoeg: van die buitenlander hoeft hij als jood niks te verwachten….
De Samaritaan stapt op hem af: hij is ten diepste met hem begaan: Er staat dat
hij in zijn binnenste werd geraakt ,ontroerd daar zit het woord barmhartigheid
in…. Een heiden, een buitenlander, een on-mens ziet de ongelukkige en hij wordt
niet goed van hem: staat er … Hij doet wat er nodig is voor het slachtoffer:
hij geeft eerste hulp en hij brengt de man naar een plek waar hij kan opknappen.
De Samaritaan is een realist: hij weet dat alleen de zon voor niks opgaat –
Hij betaalt voor de zorg die de man nodig heeft en geeft een garantstelling
voor verdere hulp: De Samaritaan stelt zich verantwoordelijk voor de ongelukkige….
En wie is de naaste van de man die werd overvallen en langs de weg blijft liggen?
De rabbijn kan het woord Samaritaan niet over zijn lippen krijgen: iemand waar
een jood in de dagen van Jezus met minachting op neerziet…. Wie is mijn naaste:
degene die barmhartigheid doet misschien heet hij in onze dagen Turk of Marokkaan
of netter een buitenlander of allochtoon: iemand uit een andere wereld die jou
probleem helpt op te lossen….. Naaste ben je niet als familieleden of landgenoten
naaste word je soms onverwacht: als je op iemand betrokken raakt: bij voorbeeld
in een trein zit je naast elkaar zonder iets met elkaar te hebben tot dat de
trein plotseling stilstaat: dan gaan mensen met elkaar praten en je ziet ze
elkaar gaan helpen met een telefoontje of een koffer die iemand voor een ander
uit het rek tilt: Lotgenoten die zich om elkaar gaan bekommeren: worden naasten
vreemden die voor elkaar de dingen doen waardoor het leven wat dragelijker wordt
…. Iemand wordt niet mijn naaste omdat ik hem aardig vind maar ik voor hem of
haar ga doen wat hij of zij nodig heeft: In het evangelie van Lucas staan daarvoor
vandaag allerlei werkwoorden: medelijden krijgen op af stappen, verzorgen ,
verbinden, Liefhebben is doen en delen uit je bezit: de Samaritaan zet de pechvogel
op zijn eigen rijdier en betaalt voor hem aan de herbergier. Je naaste liefhebben
heeft niets te maken met de roze gevoelens van kusjes en rozen die wij aan het
woord plakken: Er wordt in de bijbel van niemand gevraagd dat we van iedereen
evenveel houden: liefhebben heeft te maken met iemand de kans geven te laten
leven. Je kan je aan iemand vreselijk irriteren: maar geef de ander wel de kans
op een fatsoenlijk leven: Daarvoor is het soms nodig dat je je mond houdt over
wat je ziet gebeuren en je hoeft niet altijd zeggen wat jij er van denkt…. Je
naaste liefhebben vraagt van ons om de kunst dat je elkaar de ruimte laat……
Op de vraag wie is de naaste wordt niet geantwoord met een bepaald iemand; bijvoorbeeld
de Samaritaan Er staat : de naaste is hij die de ongelukkige barmhartigheid
bewijst.…. Wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven? Wat hebben we
daarover geleerd in de geboden: van God die spreekt over leven en dood ? Zien
we elkaar staan: zien we de nood en de kwetsbaarheid van mensen, van onszelf
en van anderen? Worden we ontroerd en handelen we ernaar ? Doen wij wat er voor
het behoud van het leven nodig is?