Zondag 28 maart 2004, M. Kersemaekers, Antoniuskerk

Herinnert u zich nog Amina Lawal? Nog maar kort geleden waren veel mensen in heel de wereld diep geschokt door het nieuws dat deze vrouw uit Nigeria, die betrapt was op overspel, was veroordeeld tot steniging. Naar islamitisch recht zou zij ingegraven worden en gedood worden door haar te bekogelen met stenen.

Gruwelijk! Het vonnis is gelukkig in een later stadium herroepen. De protesten die uit heel de wereld kwamen hebben daar waarschijnlijk -oh ironie- hun steentje aan bijgedragen!

De schriftgeleerden en Farizeeën die bij Jezus kwamen met een overspelige vrouw, leken precies te weten wat er met haar gebeuren moest. Ze verwezen naar de wet van Mozes en die is ondubbelzinnig: een vrouw die betrapt wordt op overspel moet ter dood worden gebracht. Dat gold overigens ook voor de man met wie zij overspel bedreef, maar die hadden ze kennelijk –hoewel het een heterdaadje was- niet in de kraag kunnen vatten.
De verwijzing naar de wet van Mozes werkt uiterst verwarrend. Wij christenen hebben het vaak moeilijk met passages in de bijbel die ons een keiharde en onbarmhartige god laten zien. Dit godsbeeld staat haaks op dat van het Nieuwe Testament, het beeld van God zoals Jezus ons dat toonde. Hier raken we dan ook aan de kern van Jezus’ boodschap.

Jezus was een rabbi, een joodse leraar die leefde naar het geloof van zijn volk. Maar hij was geen fundamentalist! De wet zoals God die aan Mozes had geopenbaard was voor Hem geen ‘wetboek van strafrecht’, want God was in zijn beleving geen straffende rechter, maar een Bevrijder, een liefhebbende Vader! Dat beeld van God was gebaseerd op ervaringen. Het joodse volk had ervaren hoe God door bemiddeling van Mozes het volk uit de slavernij in Egypte bevrijd had en geleid had naar het beloofde land: ‘het land van melk en honing’. Deze heilsgeschiedenis werd en wordt door de joden jaarlijks herdacht en gevierd met Pasen.
We hoorden er zonet de profeet Jesaja nog aan refereren: De Heer ‘die een weg legt in de zee, en in machtige wateren een pad, die wagens en paarden en heel de macht van het leger uitrukken deed; -nu liggen zij neer, zij staan nooit meer op, gedoofd en als een vlaspitje uitgegaan..’. Maar in de tijd van de Babylonische ballingschap roept de Heer bij monde van Jesaja op niet stil te blijven staan bij dit verleden! Nee, Hij zegt: “Zie, iets nieuws ga ik maken, het is al aan het kiemen, weet gij dat niet?”
En dan wordt het beeld geschetst van een weg door de woestijn en rivieren in het dorre land: een visioen waar het volk in ballingschap hoop uit kan putten! Er is een tijd op handen dat de dorst naar bevrijding gelaafd zal worden!
Dit door Jesaja gegeven beeld van God is ook het beeld dat Jezus heeft van zijn Vader in de hemel. Jezus legt er de nadruk op hoe God met ons, met jou en met mij, iets nieuws begint! Het herdenken van de bevrijding heeft alleen zin als we daardoor ontdekken dat die bevrijding voor ons NU ook in het verschiet ligt!

In de gebeurtenis met de overspelige vrouw confronteren de schriftgeleerden en Farizeeën Jezus met de wet. En we lezen dat Jezus hen aanhoort en onderwijl met zijn vinger in het zand schrijft. Hier zien we hoe Jezus het denken wil omkeren. Jezus zit niet vast aan de dode letter van de in stenen tafelen gehouwen wet. Hij voelt de géést van de wet aan. Voor Hem is de wet uitdrukking van Gods liefdevolle relatie met mensen. En als er in de wet staat dat overspel streng bestraft moet worden, dan is dat het stijlmiddel dat Mozes in zijn tijd ter beschikking stond om uit te drukken hoeveel pijn het God doet als mensen elkaar ontrouw zijn en daardoor elkáár pijn doen. Door in het losse zand te schrijven lijkt het wel alsof Jezus op symbolische wijze de dode letter in steen, weer levend wil maken tot woorden die voor zijn tijdgenoten goed zeggen wat God met de mensen voor ogen staat.

Door het optreden van Jezus in de confrontatie met de schriftgeleerden en Farizeeën zien we dat God iets nieuws begonnen is met de mensen: Hij laat een nieuw licht schijnen op oude in steen gehouwen woorden. En de ommekeer komt als Jezus heeft gezegd dat degene die zonder zonde is het eerst een steen moet werpen. Die woorden brengen de mensen die zo goed wisten wat er met de overspelige vrouw gebeuren moest tot inkeer. Zij zagen in zelf ook mensen te zijn die fouten maken.
En in het slot van de evangelielezing ligt de kern van de boodschap van de joodse rabbi Jezus: God wil herstel van wat mensen kapot maken, God wil heelwording. En we horen dat in de woorden van Jezus: “Ook ik veroordeel u niet. Ga heen en zondig vanaf nu niet meer.”

Zien wij ook in dat God met óns iets nieuws begonnen is? Zien wij die weg door de woestijn: onze eigen goedheid, de mildheid in ons eigen hart? Zien wij die wel? Houden we die niet verstopt omdat we denken dat we in onze samenleving, die woestijn van geweld, ellenbogenwerk, consumptiedwang en carrièredrang, alleen maar kunnen overleven door hard te zijn? Zijn wij vaak ook niet heel makkelijk in het vellen van een oordeel? En negeren we dan niet de grootste kracht die God in ons gelegd heeft? De kracht van het mededogen? Ons vermogen om ons in te leven in de gevoelens van onze naasten?

Geloven wij dat het naderende Paasfeest voor òns een feest van bevrijding zal zijn? Of is Pasen voor ons een jaarlijks terugkerende gewoonte met versteende gebruiken die herdenkt wat 2000 jaar geleden is gebeurd?
Ik wens ons toe dat wij zullen lachen en juichen en oogsten wat in ons is gezaaid aan liefde en medemenselijkheid! Dat Pasen een terugkeer zal zijn uit onze ballingschap! Dat wij het land van het snelle oordeel en de harde letter van de wet achter ons laten om bezit te kunnen nemen van het beloofde land, waar mensen vreugde ervaren in de zorg om elkaar.

AMEN


[ TERUG NAAR DE PREKENDATABASE ]