Zondag
14 september 2003, Theo Woertman, Antoniuskerk
Ik moet vandaag
beginnen met een bekentenis. Toen ik het liturgierooster onder ogen kreeg en
zag dat 14 september het feest van de Kruisverheffing is, wist ik niet precies
wat dat betekende, wat de oorsprong en de achtergrond van het feest zijn. Normaal
gesproken hebben we nu de 24e zondag door het jaar of ziekenzondag. Maar het
feest van de kruisverheffing dat zei mij niet zoveel. In de inleiding gaf ik
al aan waar het feest historisch vandaan komt: de legende dat de heilige Helena
op 14 september 320 het kruis van Jezus vond in Jeruzalem. Belangrijker is de
vraag wat wij vandaag de dag met de symboliek van het kruis moeten. Het kruis
is tegenwoordig als sieraad zeer populair, het is een cultsymbool voor sommige
groepen jongeren zoals de Gothics. Veel mensen dragen een kruis om hun nek,
de vraag is welke betekenis zij daar aan geven. Laatst hoorde ik iemand die
een kruisje kocht zeggen: 'Doe mij die maar met het poppetje er op'. Zoals u
weet was het kruis niets meer of minder dan een verschrikkelijk martelwerktuig
een executiemiddel dat alleen voor slaven en terroristen gebruikt werd. Het
is daarom ook goed om even de wenkbrauwen te fronsen als we het feest van vandaag
tot ons door laten dringen. Kruisverering! Vereren we een martelwerktuig en
daarmee het lijden? Dat zou absurd en walgelijk zijn. Maar hoe moeten wij vandaag
het kruis en de dood verkondigen en wellicht nog belangrijker hoe mogen wij
het kruis en de dood niet verkondigen? De dood is in onze tijd iets dat we zover
mogelijk van ons af proberen te houden; medische technieken kunnen vaak nog,
tijdelijk, uitkomst bieden, we worden gemiddeld steeds ouder. We gaan daardoor
wellicht minder natuurlijk met de dood en het lijden om. De dood is echter een
natuurlijk gegeven, wij mensen zijn van nature begrensde schepsels van God.
Leven is nu eenmaal voortdurend sterven. Een kaars die brandt, brandt op. Wij
verslijten noodzakerlijkewijze doordat we onze levensenergie verbruiken, ieder
ogenblik, tot op het laatste moment. Dit 'normale', voortdurende sterven aanvaarden
betekent voor mij loslaten van alles wat op het eerste oog het belangrijkste
lijkt te zijn in het leven: loslaten van macht, bezit, genot enz. Het werkelijk
aanvaarden van beperkingen, van verslijten en sterven zal zich uiten in verdraagzaamheid:
ook de anderen zijn beperkt en begrensd. Het zal zich uiten in geduld tegenover
mensen en situaties: ik zal dan niet meer te zwaar tillen aan vaak toch voorbijgaande
problemen en moeilijkheden, niet alles kan en moet hier en nu. Ik vind zo'n
blije, christelijke levensaanvaarding een moeilijke opgave. Onze beperktheid
en vergankelijkheid komen mij vaak voor als iets tegennatturlijks, als een afbraak
en vernietiging van het eigen ik, waartegen heel mijn wezen in verzet komt.
Hoe anders is dat bij Jezus, Jezus aanvaard het lot van de minste, het bestaan
van een slaaf op zich genomen. Mijn gehechtheid aan het aardse maakt het kwaad
gemakkelijker en het goede moeilijker of zoals Paulus het in de Romeinen-brief
verwoordde: 'Ik doe niet het goede dat ik wil, maar wel het kwade dat ik niet
wil'. In het kwaad zelf zit wellicht de oplossing. Laten we eens naar het kruis
kijken, zoals hiervoor het altaar op schitterende wijze door Truus Aarsman is
uitgebeeld. De horizontale balk is de vernedering, daaraan vastgebonden worden
betekende een afschuwelijke dood. Symbolisch bekeken: vrijwel iedereen hangt
vroeg of laat aan een kruis dat een ander voor hem of haar opricht. De horizontale
balken heten dan: onbegrip, spot, minachting, onrecht, verdrukking. De rechtopstaande
balk is de verheffing, de weg naar boven, naar redding. Precies op het snijpunt
vallen ze samen. Voor de evangelist Johannes is het kruis dan ook niet een teken
van ondergang en dood. Het gedeelte uit het evangelieverhaal van vandaag is
ontleend aan het gesprek van Jezus met de joodse leider Nikodemus. Dat gesprek
gaat over het doopsel en de herinrichting van het leven. Jezus zegt als inleiding
dat hij spreekt over dingen die Hij heeft leren inzien, en over wat Hij weet.
Hij getuigt van wat Hij gezien heeft, en leren doorzien. Hij, Jezus, die uit
de hemel is neergedaald met godsnabije ervaring en inzicht, is ook naar de hemel
opgestegen om een blik in het hemels perspectief te openen. Met de woorden van
Johannes: 'Alleen Hij, die uit de hemel is neergedaald, is naar de hemel opgestegen:
de mensenzoon is dat'. Zoals het het opzien naar de koperen slang van Mozes
genezing en leven betekende, zo is het geloof in de gekruisigde Jezus een bron
van eeuwig leven. Eeuwig leven niet in de opvatting van leven na de dood, maar
voor het 'andere' leven dat iemand verkiest en ontvangt, wanneer hij gelooft
in de persoon van Jezus; dit nieuwe bestaan is zo kostbaar en onaantastbaar
dat zelfs onze aartsvijand de dood het niet voorgoed teniet kan doen. De nederdaling
uit de hemel wordt in het korte stukje uit het evangelie twee keer genoemd,
maar wel met twee verschillende werkwoorden. De eerste keer staat vermeld::
'Zozeer heeft God de wereld liefgehad dat Hij zijn eniggeboren zoon heeft gegeven.
Op het einde staat:'God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden , om de
wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered'. In het
eerste vers staat dat de zoon gegeven is, in het tweede vers staat dat hij gezonden
is. Er zit een essentieel verschil tussen geven en zenden. Geven heeft iets
definitiefs, je bent de zeggenschap over het gegevene kwijt, de ander, de ontvanger,
kan er mee doen wat hij of zij wil. Zenden houdt meer in sturen met een opdracht;
in ieder geval niet onvoorwaardelijk overdragen. U zult wellicht denken wat
een muggenzifterij. Voor mij is dat toch belangrijk. Te vaak lees je dat Jezus
door God is aangeboden als offer vanwege onze zonden, als verzoening. Alsof
God iets goed te maken heeft en dat ten koste van zijn zoon doet. Nee dat is
de wereld op z'n kop. Wij moeten ons met hem verzoenen maar kunnen dat niet
op eigen kracht. God is zo vol liefde, dat hij bereid is ons zijn zoon als een
voorbeeld te geven waar we tegenop kunnen zien en daaruit te leven. Hij gaf
Hem aan de mensen met het risico Hem te verliezen. Om ons tot voorbeeld te zijn
is Jezus midden onder de minsten gaan staan en wilde Hij niet beter zijn dan
de eerste de beste zondaar. Laten we naar alle arme en verloren mensen van de
wereld kijken in wier gelaat Hij zo duidelijk is te zien. We moeten dit echter
wel willen zien en de durf hebben om onvoorwaardelijk te leven naar zijn voorbeeld.
Jezus heeft laten zien tot hoe ver Hij bereid was te gaan. Het kruis is op zichzelf
een teken van leed en onderdrukking, zelfs van vaak onrechtvaardige straf. Daarom
moeten we er voorzichtig en behoedzaam mee omgaan. Er dreigt een kruismystiek
of op het kruis gerichte vroomheid, die op een masochistische zelfkwelling kan
uitlopen. Omdat Jezus onrecht en pijn geleden heeft, zouden wij de weg van het
lijden dienen te kiezen. De angel van het kwaad zit hem in het zelf kiezen van
de weg van het lijden en de zelfvernietiging, de zelfvernedering. Het gevaar
van deze zo opgevatte kruismystiek en zelfvernedering dreigt vooral wanneer
machtigen in de kerk en maatschappij deze lijdenshouding aanprijzen en in feite
misbruiken om de kleinen en onmachtigen op hun plaats te houden. Maatschappelijk
en helaas vaak ook kerkelijk lijden is onrecht, dat bestreden dient te worden.
Het is een grondrecht van mensen de eigen gaven en talenten te mogen ontplooien
en zich te emanciperen. Het kruis was bij Jezus op zichzelf een teken en vorm
van zonde en onrecht. Het werd een teken van recht en kracht, zelfs van overwinning
en uiteindelijk overwicht, door de vrije aanvaarding van Jezus zelf, toen het
niet anders kon, en andere middelen van overreding bij Pilatus en Herodus, alsook
bij de joodse overheden, niets hadden uitgehaald. Toen pas bleken het soevereine
overwicht en de geestkracht van Jezus, en van de reddende God die Hem uiteindelijk
niet in de steek liet. Jezus kreeg kruis en straf opgelegd omdat Hij opkwam
voor de armen en de rechtelozen, voor het volk dat misleid werd door de zogenaamde
leiders, die aan anderen lasten oplegden die ze zelf weigerden te dragen. Toen
Jezus het hoofd boog op het kruis, wilde Hij niet dat mensen en kerkvolk voortaan
met gebogen hoofd en knikkende knieën door het leven zouden gaan. Nee, omgekeerd.
Met zijn striemen en kruis wilde Hij ons redden en genezen. Hij wilde ons met
rechte rug en buigzame knieën door het geloofsleven laten wandelen, tot heil
voor onze medemensen, recht overeind voor Gods aangezicht. Zo moge het gebeuren.