Zondag 7 september
2003, Michiel Kersemaekers, Antoniuskerk
In deze gewijde ruimte zal het niet snel gebeuren: dat er opeens een telefoontje
begint te rinkelen. Zo'n indringend pieptoontje of grappig bedoeld melodietje
dat je tegenwoordig vaak kunt horen als je in de supermarkt loopt of met de
trein reist. Hier in deze ruimte zouden we het ongepast vinden en bovenal zeer
storend. Overal elders vinden we het vaak al heel gewoon. Moderne mensen zijn
voortdurend 'on line': per gsm versturen vooral jongeren elkaar duizenden sms-jes
en via de computer verzenden veel mensen over de hele wereld mailtjes naar elkaar.
Er wordt ook heel wat afgebeld: zinnig en onzinnig. De telecommunicatiebedrijven
varen er wel bij. We leven dan ook in wat wel genoemd wordt: de communicatiemaatschappij.
Ook wordt wel gesproken van de informatiemaatschappij. Mensen lijken er niet
meer buiten te kunnen: hoor je er eigenlijk nog wel bij als je niet 'on line'
bent? Er bij horen, daar gaat het om. Allemaal willen we erbij horen: liefst
bij een groep mensen die we aardig vinden, waarbij we ons wel voelen en waarbij
we ons zelf kunnen zijn. En het ideaalbeeld is dat we in zo'n groep goed met
elkaar kunnen communiceren. Dat wil zeggen dat we elkaar begrijpen, verstaan
en vooral ook aanvoelen. We willen gehoord worden en moeten ons dus kunnen uiten:
sprekend in woorden of in gebaren en in mimiek. Er moet sprake zijn van tweerichtingsverkeer:
we luisteren èn we reageren; we spreken en krijgen reacties. Daar waar communicatie
vlot verloopt, waar blijkt dat mensen elkaar goed verstaan, dáár wordt geluk
ervaren. Ellende in groepen of tussen mensen onderling is vaak het gevolg van
miscommunicatie. In het evangelieverhaal van Marcus, dat we zojuist beluisterd
hebben, wordt er iemand bij Jezus gebracht die doof was en moeilijk kon spreken.
De mensen verwachtten van Jezus dat Hij door handoplegging, door aanraking,
deze man kon genezen. Dat zou betekenen dat hij weer zou horen en weer zou kunnen
spreken: hij zou er weer helemaal bij kunnen gaan horen. Jezus neemt de man
apart. Hij wil geen toverkunstje voor het samengestroomde publiek volbrengen
om na afloop het applaus in ontvangst te kunnen nemen. Jezus is geraakt door
het lot van deze doofstomme. Hij keert zich ten volle naar deze man en geeft
al zijn aandacht aan hem. Hij doet veel meer dan het opleggen van de handen.
Hij steekt zijn vingers in de oren van de dove en hij spuugt en raakt met het
speeksel de tong van de man aan. Zo komt Hij de man heel nabij. Dan slaat hij
zijn ogen op ten hemel, zucht en spreekt: Effata, GA OPEN! De man kan weer horen
en kan spreken! Hier heeft zich het wonder voltrokken dat iemand die buitengesloten
was er weer bij hoort. Naar mijn gevoel is dàt voor Jezus veel belangrijker
dan het voor stervelingen verbazingwekkende 'kunststukje' van de fysieke, de
lichamelijke genezing. De mensen om hem heen en ook zijn leerlingen daarentegen
zijn vooral onder de indruk van dit kunststukje en roepen dan ook luid in het
rond: "Hij heeft alles welgedaan! Hij laat doven horen en stommen spreken!"
Juist uit angst voor dit effect heeft Jezus hun verboden er met anderen over
te spreken. Marcus benadrukt dit gegeven, omdat hij zijn lezers ervan wil doordringen
dat de volle betekenis van Jezus pas aan het licht zal komen na diens vernedering
aan het kruis en de daaropvolgende opstanding uit de dood. Deze Jezus is niet
de koning die velen in hem wilden zien: de alleskunner die Israél van de Romeinen
zou bevrijden, de Messias die in volle glorie naar Jeruzalem zou optrekken.
Deze Jezus is die man uit Nazaret die zich als eenvoudige timmermanszoon liet
raken door mensen die op zijn pad kwamen, zoals deze doofstomme. Die heil aan
de mensen wilde brengen door ze er weer bij te betrekken! Als wíj het wonder
willen beleven dat daar plaats vond, dan moeten wij proberen ons open te stellen
voor de betekenis die dit bijbelverhaal voor ons kan hebben. Zou het niet kunnen
zijn dat Jezus ons hier laat zien hoe belangrijk het is om mensen mee te laten
doen? In moderne termen: zorgen dat mensen 'on line' kunnen komen. Als dat lukt
zou dàt dan niet een wonder zijn om echt over te jubelen en juichen? Zou het
niet prachtig zijn als je -bijvoorbeeld door niet steeds te willen volharden
in eigen gelijk- een opening zou maken voor iemand die je niet meer echt hoorde
omdat je door vooringenomenheid je ervoor had afgesloten? Zou het niet mooi
zijn als we er in zouden slagen weer 'on speaking terms' te komen met mensen
die we hadden afgeschreven? In de grote wereldpolitiek blijkt helemaal hoe groot
zo'n wonder zou zijn: iedereen weet hoe moeizaam het vredesproces tussen Israël
en de Palestijnen verloopt. Maar werd het ook niet als een wonder ervaren dat
op een bepaald moment Arafat en wijlen premier Rabin elkaar de hand schudden
op het grote gazon voor het Witte Huis in Washington? Een christen gelooft in
zúlke wonderen: mensen hebben het in zich om zich weer met elkaar te verzoenen.
Heel diep in ons zit het verlangen naar verzoening, naar vrede, naar heelwording!
Is Gods Woord niet een voortdurend beroep op ons om te worden wie we ten diepste
zijn? Als we ons open stellen voor Gods woord, als we ons durven laten raken
door Hem en dus door elkaar, wordt dan niet een beetje waar wat in het visioen
van Jesaja verwoord wordt: dat in de steppe beken zullen ontspringen en rivieren
in de woestijn? Dat de lamme zal springen als een hert en dat zal jubelen de
tong van de stomme?