Zondag 28 oktober
2001, PCI-zondag, M. Kersemaeker, Antoniuskerk
Een paar weken geleden liep ik met iemand over straat en er kwam een sjofel
geklede man op ons af. "Meneer mag ik u wat vragen?", richtte hij
zich tot ons. Zelf had ik de neiging om te reageren in de trant van: "ik
heb geen geld hoor!". Maar mijn wandelgenoot bleef staan en luisterde naar
de al snel gestelde vraag of hij misschien een gulden had. Hij trok zijn portemonnee
en drukte een gulden in de hand van de man. Deze bedankte en liep door.
Ik zei dat ik meestal niet inging op zulke verzoeken, want ze worden je om de
haverklap gesteld en daar kun je dan toch niet aan beginnen. Bovendien wordt
het aan drank en drugs besteed, en daar hoef ik toch geen bijdrage aan te leveren?
Mijn compaan zag dat anders. "Als je weet hoeveel moeite deze mensen doen
om hun kostje te scharrelen, en hoe vaak ze 'nee' te horen krijgen. Daar kan
ik alleen maar respect voor hebben. Het gaat niet om die drank en drugs, maar
vaak ook om een maaltijd in het smulhuis voor dak- en thuislozen. Als ik gehaast
ben of mijn stemming er niet naar is, dan loop ik ze ook wel eens voorbij, maar
ik ben toch geneigd meestal wel iets te geven."
Deze woorden hebben me aan het denken gezet. Hij doet moeite om zich te verplaatsen
in deze mensen, die door wat voor reden dan ook aan de zelfkant van de samenleving
terecht zijn gekomen. Hij laat zich raken door hun vraag en hun verhaal. Hij
ziet ze staan, niet als bedelaar, maar als mens. Een mens zoals hij.
Korte tijd later zat ik op het station op een bankje te wachten. Er kwam weer
iemand op me af met een beleefd en vriendelijk gestelde vraag. Hij kwam zelfs
naast me zitten en vertelde dat hij voor zijn avondmaaltijd geld nodig had.
Of ik een bijdrage wilde leveren. Ik gaf hem een gulden en maakte nog een praatje
met hem. Het bleek dat hij ondanks zijn in míjn ogen onaantrekkelijke
leven, een heel blijmoedige kijk op het leven had. Hij maakte er wat van.
Vandaag is het PCI-zondag. De Parochiële Caritas vraagt uw aandacht voor haar werk. Of eigenlijk moet ik zeggen aandacht voor ons werk, want caritas is als het goed is het werk van de héle parochie. De lezingen houden ons dat ook duidelijk voor.
De eerste lezing
was uit Jezus Sirach, een wijsheidsleraar uit de tweede eeuw voor Christus.
Deze Sirach had de Tora en Profeten goed gelezen en zich eigen gemaakt. Door
ze te overdenken kon hij er zijn tijdgenoten levenswijsheden uit voorhouden.
In ons tekstgedeelte zegt hij dat wij aan God moeten geven naar wat Hij geschonken
heeft. Hieruit spreekt het inzicht dat alles wat jij en ik aan goeds bezitten,
gekregen hebben. Het is genade, niet iets om je op voor te laten staan. Ben
je rijk en gezond, wees dan dankbaar en deel van je rijkdom en gezondheid met
wie daar niet of minder over beschikken. Wie de Allerhoogste goed verstaat,
die weet dat Hij luistert naar het gebed van de ontrechte en dat Hij acht slaat
op de smeekbede van de wees en op het lange verhaal dat de weduwe doet. Hij
ziet de tranen van de weduwe stromen langs haar wangen, met andere woorden:
hij laat zich raken door het verhaal van de weduwe, hij wordt er door beroerd.
De Farizeeër in het Evangelieverhaal van vandaag is plichtsgetrouw, en
hij laat zich daar ook op voorstaan. Op geen enkele manier spreekt uit zijn
bede tot God het besef dat hij anderen ziet staan in hun nood; nee, hij ziet
vooral zichzelf staan, beter dan andere mensen. En voor dat 'beter zijn' dankt
hij God. De tollenaar, een belastingpachter die de naam had te heulen met de
Romeinse bezetter èn bovendien een oplichter van zijn eigen landgenoten
te zijn, daar kijkt hij op neer. Die is immers niet rechtschapen zoals hij.
De kern van beide lezingen is dat wie zich niet laat raken door de nood van
de ander, wie geeft om er zich er op voor te kunnen laten staan bij God en andere
mensen, die verstaat niet wat de Allerhoogste van ons vraagt.
Als wij zeggen dat we slechts in één God geloven, dan bedoelen
we toch de Barmhartige, de Liefdevolle? We weten ook wel dat er meer goden bestaan,
maar die noemen we afgoden. Geloven in die ene liefdevolle God wil toch zeggen:
inzien dat het in het leven uiteindelijk gaat om die ene waarde: de liefde tot
de ander (en daardoor tot God)?
Wij mensen kunnen niet zonder elkaar: we zijn wie we zijn, níet in de
eerste plaats door onze éigen inzet, maar door de anderen die er voor
ons waren: onze ouders, onze vrienden, onze leraren en onderwijzers, onze collega's,
buren en familieleden. In tijden van nood zijn we ons daar het scherpst van
bewust. Als het ons langdurig goed gaat vergeten we het ook snel. Dan kan de
waan postvatten dat we het allemaal aan ons zelf te danken hebben.
Wij zijn gemeenschapswezens, geroepen (door God) om er voor elkaar te zijn.
Onze gaven hebben we gekregen om te delen, zodat we allemaal geheelde mensen
kunnen worden. Als we dat beseffen, dan worden we op de goede manier nederig,
zoals de tollenaar die zichzelf een zondaar durfde noemen: iemand die tekort
geschoten heeft en weet dat hij Gods liefde nodig heeft om een beter mens te
kunnen worden.
Als parochiegemeenschap
van de kerk die de Blijde Boodschap van Jezus van Nazareth verkondigt willen
we toch niet anders dan leven vanuit dàt besef?
De PCI is een middel om ons in staat te stellen er voor elkaar te zijn. Want
allemaal hebben we onze gaven en onze tekortkomingen. In geestelijke en in materiële
zin. Daar waar het materiële tekortkomingen betreft probeert de PCI nood
van medeparochianen en anderen binnen het territorium van de parochie te lenigen.
We vinden dat het werk van de PCI het werk van de hele parochiegemeenschap zou
moeten zijn. Daarom willen we om te beginnen meer bekendheid geven aan de taken
die we als PCI binnen de parochie hebben. In het Parochienieuws hebt u al eerder
over ons werk kunnen lezen en in de toekomst zullen we vaker via dat medium
van ons laten horen.
Daarnaast proberen we meer parochianen actief bij het werk te betrekken. Vanaf
deze plaats wil ik u vragen eens serieus te overwegen of u met ons mee zou willen
doen o.a. door mee te werken aan een spreekuur voor mensen die een aanvraag
bij ons kunnen doen.
En tot slot wil ik u vragen om bij te dragen aan het werk van de PCI door aan
het einde van deze viering geld te geven aan de collectant bij de uitgang.
Wanneer u overweegt
actief mee te willen doen, dan kunt u zich met mij in verbinding stellen, bijvoorbeeld
na afloop van deze viering.