Drievuldigheidszondag 10 juni 2001, T.G.A. Woertman, Antoniuskerk
De zondag van vandaag heet de drievuldigheidszondag ofwel het feest van de heilige Drieeenheid. Je zou vandaag dus lezingen over de Drievuldigheid verwachten, maar daar hebben we niets van gehoord. Dat kan ook niet anders want het woord drievuldigheid komt in de bijbel niet voor. Het is meer een woord uit de theologie, de godgeleerdheid.
Als je dan, net
zoals ik, geen theoloog bent dan is het lastig om je een voorstelling te maken
van het begrip drie-ene-God. Ik herinner me van de katechismusles nog dat geprobeerd
werd, mij duidelijk te maken dat God Vader is en Zoon en heilige Geest, en dat
alle drie de personen God zijn en dat er toch maar een God is.
Het probleem ontstaat wellicht door het gebruik van het woord persoon. Wij mensen
spreken op een menselijke manier, met menselijke begrippen en menselijke beelden,
over het mysterie van God. We vertalen zelfs het begrip persoon met mens. In
de tijd dat het begrip drievuldigheid ontstond, eind tweede eeuw van onze jaartelling,
betekende het woord 'persoon' allereerst het masker dat toneelspelers voor hun
gezicht hadden, wanneer zij een andere rol moesten spelen. Bij het woord persoon
moeten wij dus denken aan: het gezicht, de rol waarmee iemand zich laat zien,
de wijze waarop iemand zich aan ons vertoont, zijn manier van verschijnen.
Het blijft al met al een stuntelige poging om een mysterie te beschrijven, dat boven het bevattingsvermogen van mensen uitgaat. Het verschil met vroeger is misschien dat wij er niet zo'n behoefte aan hebben Gods bestaan en wezen te bewijzen. Wij willen veelmeer God ontmoeten, zijn nabijheid ervaren. Daarbij worden we niet geholpen door een term als 'Drievuldigheid', maar meer door de verhalen uit de bijbel.
Verhalen bijvoorbeeld
over de wijsheid van God, zoals we in de eerste lezing hoorden. Wijsheid is
daarbij niet kennis, weet hebben van feiten. Het is kennis hebben van de oorsprong,
de bron, gaat zelfs voor de schepping uit. Deze wijsheid uit Spreuken is onmisbaar
en noodzakelijk voor het welzijn van de wereld en gaat derhalve aan het bestaan
vooraf. Alleen met behulp van de Wijsheid zijn wij mensen in staat om het Goddelijke
in ons tot werking te brengen. De eerste christenen stonden veel dichter bij
deze werkelijkheid, zij voelden zich delen van het goddelijke, wisten dat als
zij bij hun kern zouden blijven iets van dat goddelijke op aarde zouden kunnen
bewerkstelligen. Datzelfde geldt ook nu nog. In ieder van ons, in alle mensen,
over heel de wereld, te allen tijde, is er iets van het goddelijke werkzaam.
Waardoor wij geroepen worden in relatie met God en met elkaar te treden. Om
in dat mysterie van ontmoeting, van samenzijn, van kennen, van beminnen te leven.
Deze wijsheid wordt ons door de Geest gebracht, de Geest hoort en doet ons horen.
In zijn brief aan de kerk van Rome hoorden wij Paulus zeggen: Door de Geest
is Gods liefde uitgestort in ons hart. Dat betekent dat wij mogen leven als
Gods beminde kinderen. Zo mogen wij naar onszelf kijken, en zo mogen wij elkaar
aanzien: als mensen die door God bemind worden, en daarom toekomst hebben. Ten
diepste worden we niet bepaald door onze afkomst, onze opvoeding, ons karakter,
onze maatschappelijke of kerkelijke positie, maar door dat ingrijpende gebeuren
en dat onroerende gegeven dat God in liefde om ons bewogen is. Waar wij openstaan
voor deze wijsheid en haar aanvaarden, daar werkt de Geest.
De evangelielezing
van vandaag is het slot van een soort afscheid van Jezus. Vele weken zijn wij
bezig geweest met het evangelie van Johannes, dat zo nadrukkelijk, zo geconcentreerd
alle licht werpt op Jezus. Het heeft ons dichterbij de bronnen gebracht waaruit
Jezus zelf dronk: de bron van Wet en Profeten, de wijsheidsliteratuur.
Maar nu neemt Hij afscheid. Ook van ons. En als dit scherp geëtste Johannesbeeld
wijkt en vervaagt, hoe blijft Hij ons dan bij? Vraag van zijn eigen leerlingen,
hoe gaan wij verder met dit verhaal van een levende?
Wij kunnen ons zo willen vastklampen aan de erfgenaam, aan de persoon van Jezus, dat wij vergeten dat het tenslotte om de erfenis gaat! De erfenis van de Vader, die door de Zoon nauwer is omschreven, goed beheerd en gedeponeerd als het testament van de liefde, maar die hij nu doorgeeft en nalaat. Christendom, dat zich geheel op Jezus fixeert en Hem tot spil van vroomheid en geloofsleven maakt, wordt tot stilstaand water. Niet de erfgenaam, maar de erfenis zal centraal staan: het erfgoed van de Vader, Zijn Koninkrijk. De weg daar naar toe zal geleid worden door de Heilige Geest, de Geest van waarheid, d.w.z. de Betrouwbare: koers er maar op, die zal je leiden! Geen andere richting, met geen ander doel dan ook ik jullie voorging.
Spreken over Gods
Geest doet Jezus als degene, die zelf op de koers van deze wind is gevaren.
Hij is een ervaringsdeskundige van de Geest. Hij laat delen in wat de geest
met hem gedaan heeft en met de leerlingen en ons ook zal doen, als wij - zoals
hij - uit God geboren zijn, ons leven in de hemel verankeren.
Spreken 'over' de Geest bestaat nauwelijks. Dat is net zo onmogelijk en zinloos
als spreken 'over' het bestaan van God. Wij spreken alleen uit en in en door
de Geest, op de vleugels van die Wind vinden wij de woorden, het lied. Daarzonder
verstommen wij. Daarbuiten 'bestaat' God niet.
Deze ontwikkeling
van de mens is door Henri Nouwen, priester en bekend schrijver, als volgt weergegeven.
Eerst, in het verhaal van Exodus, openbaart God zich als de God-voor-ons, die
ons uit onze slavernij leidt in een wolkkolom overdag en 's nachts in een vuurzuil.
Later in het verhaal van Jezus van Nazaret, openbaart God zich als een God-met-ons,
die in solidariteit en sympathie ons vergezelt. Tenslotte, in het verhaal van
Pinksteren openbaart God zich als een God-binnenin-ons, die ons in staat stelt
zelf het goddelijk leven in te ademen. Zo voltooit Pinksteren het mysterie van
de openbaring van God als Vader, Zoon en Heilige Geest en nodigt ons uit volledig
deel uit te gaan maken van het innerlijk leven van God. Door niet alleen God-voor-ons
en een God-met-ons te worden, maar ook een God-binnenin-ons, schenkt God ons
de volheid van de kennis over het goddelijk leven.
Als wij tot deze Wijsheid door weten te dringen dan zien wij dat wij diep binnen ons de kiem, de vonk meedragen van dit goddelijk leven. De Wijsheid stelt mij in staat dit goddelijk deel binnen in mij te ontwikkelen. Als ik mij daarvan bewust ben dan kan ik groeien van een mens die al zijn hoop en verlangen richt tot de God-voor-mij, tot een mens die op weg gaat, wetend dat hij begeleid wordt door de God-met-mij, tot uiteindelijk een mens die zelf zijn verantwoordelijkheid neemt gedragen door de God-in-mij.
Amen