Pasen
Die Lazarus tot leven wekte
Is uit de doden opgestaan.
De sluitsteen die het graf bedekte,
Ligt afgewenteld langs de baan.

De vrouwen die met balsem komen,
De ogen droef, de monden dicht,
Zien achter kromgegroeide bomen
Een engel in een hoos van licht.

Ze schrikken en hun vrees wordt mondig.
Ze willen vluchten naar de stad.
Maar vrees en schrik zijn zo kortstondig
Voor wie de taal van d’engel vat.

‘Vrees niet, Hij heeft het graf verlaten
Waar ze Hem hebben neergelegd.
Ga heen en meld het uitgelaten.
Geschied is wat Hij heeft voorgezegd.’

Die Lazarus tot leven wekte
Is uit de doden opgestaan.
De sluitsteen die het graf bedekte,
Ligt afgewenteld langs de baan.